|
Héctor José Díaz
Lo que quiero
Que nadie me conozca y nadie me quiera,
Caminar mundo adentro, solo, con mis dolores
nómada, sin amigos, sin amor, sin anhelo;
que mi hogar sea el camino, que mi techo sea el Cielo
y mi lecho las hojas de algún árbol sin flora.
Cuando ya tenga polvo de todos los caminos,
cuando ya este cansado de luchar con la suerte,
me lanzaré en las noches sin lunas de la muerte
de donde no regresan jamás los peregrinos.
Y morir una tarde cuando el sol triste alumbre,
descendiendo un camino a ascendiendo una cumbre,
pero donde no haya quien me pueda enterrar...
que mis restos, ya polvo, los disipen los vientos,
para que cuando ella sienta remordimientos
no se encuentre mi tumba ni pueda rezar. |
 |
Vertaling: Karel Haitsma
Dat wat ik wil
dat niemand me kent en niemand van me houdt,
De wereld binnen wandelen, alleen, met mijn pijnen
nomade, zonder vrienden, zonder liefde, zonder verlangen;
dat mijn thuis de weg is, dat mijn dak de Hemel is
en mijn bed de bladeren van een of andere bloemloze boom.
Wanneer ik onder het stof zal zitten van al de wegen,
wanneer ik vermoeid zal zijn door de strijd met het geluk,
zal ik me storten op de nachten zonder manen van de dood
vanwaar de pelgrims nooit terugkeren.
En sterven op een middag wanneer de zon triest schijnt,
een weg afdalend om een top te bestijgen,
maar waar niemand is die me kan begraven...
dat mijn resten, tot stof geworden, verdwijnen met de winden,
zodat wanneer zij wroeging voelt
zij mijn graf niet kan vinden noch kan bidden.
|